Kleurcombinaties van de Labrador Retriever

Kleurcombinaties van de Labrador Retriever

Labrador retriever (zwart) Wanneer je hond zwart is, is zijn type
I, II, III, of IV.I = Homozygoot zwart
II = Heterozygoot zwart, vererft ook geel
III = Heterozygoot zwart, vererft ook choc
IV = Heterozygoot zwart, vererft ook geel en choc
laborador bruin Wanneer je hond chocolate is, is zijn type
VIII of IX.VIII = Homozygoot chocolate
IX = Heterozygoot chocolate, vererft ook geel
laborador geel Wanneer je hond geel is, met een zwarte neus is zijn type
V of VI.V = Heterozygoot geel, vererft ook zwart
VI = Heterozygoot geel, vererft ook zwart en choc
leverkleurige Wanneer je hond geel is, met een leverkleurige neus is zijn type
VII.VII = Heterozygoot geel, vererft ook choc

 

Erfelijkheid van vachtkleuren bij de Labrador Retriever

op basis van ChromaGene™ Type

I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII
IX
I
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
II
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ geel
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ geel
½ zwart
½ geel
½ zwart
½ geel
½ zwart
½ geel
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ geel
III
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ choc
¾ zwart
¼ choc
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ choc
½ zwart
½ choc
½ zwart
½ choc
½ zwart
½ choc
IV
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ geel
¾ zwart
¼ choc
9/16 zwart
¼ geel
3/16 choc
½ zwart
½ geel
3/8 zwart
½ geel
1/8 choce
¼ zwart
½ geel
¼ choc
½ zwart
½ choc
3/8 zwart
¼ geel
3/8 choc
V
Alle pups
zwart
½ zwart
½ geel
Alle pups
zwart
½ zwart
½ geel
Alle pups
geel
Alle pups
geel
Alle pups
geel
Alle pups
zwart
½ zwart
½ geel
VI
Alle pups
zwart
½ zwart
½ geel
¾ zwart
¼ choc
3/8 zwart
½ geel
1/8 choc
Alle pups
geel
Alle pups
geel
Alle pups
geel
½ zwart
½ choc
¼ zwart
½ geel
¼ choc
VII
Alle pups
geel
½ zwart
½ geel
½ zwart
½ choc
¼ zwart
½ geel
¼ choc
Alle pups
geel
Alle pups
geel
Alle pups
geel
Alle pups
choc
½ choc
½ geel
VIII
Alle pups
zwart
Alle pups
zwart
½ zwart
½ choc
½ zwart
½ choc
Alle pups
zwart
½ zwart
½ choc
Alle pups
choc
Alle pups
choc
Alle pups
choc
IX
Alle pups
zwart
¾ zwart
¼ geel
½ zwart
½ choc
3/8 zwart
¼ geel
3/8 choc
½ zwart
½ geel
¼ zwart
½ geel
¼ choce
½ choc
½ geel
Alle pups
choc
¾ choc
¼ geel

 

Je kunt bovenstaand schema gebruiken ter ontwikkeling van je fokstrategie.
De buitenste ring toont de zichtbare vachtkleur, terwijl het kleine rondje rechtsboven deze ring de kleur van de neus aangeeft (zwart of leverkleurig).
De binnenste ring toont de verborgen kleur(en), waarvan de hond drager is.
De tabel laat zien wat het resultaat is wanneer je bepaalde types met elkaar kruist.
Bij voorbeeld: wanneer jouw hond type VI is, is hij een gele Labrador met een zwarte neus, die zowel zwart als chocolate vererft.
Wanneer je deze hond kruist met een type VIII, zal het nest voor de helft uit zwarte en voor de helft uit chocolate puppy’s bestaan.
Let wel, dit zijn gemiddelden, gebaseerd op de wet van de aarschijnlijkheid, die incidenteel kunnen afwijken.

spacer

Honden Gedichten

Een zomerse dag van een Lab

Ik werd wakker de zon die scheen
Ik keek verlekkerd om mij heen.
Keek het vrouwtje smekend aan
Nu die kon dat niet weerstaan.
Kom wij gaan fijn naar het strand
Dankbaar likte ik haar hand,
Kon ik zwemmen in de zee
Het zat mij die dag echt mee.Toen ik aankwam ,oh wat vreemd
Voelde ik mij wat ontheemd.
Ik zag mensen met bijna niets aan.
Ik voelde mij voor joker staan.
Ik werd nog geheel door mijn vacht omsloten
Met alleen maar mijn 4 kale poten.
Ik trok aan mijn vacht,maar het ging niet,oh nee
Dus sprong ik gekleed in mijn vachtje in zee.

Ik sprong en ik danste in golven heel hoog
Die smeten mij toen met een heel grote boog
Terug op het strand,maar ik had nog zo,n zin
Dus dook ik er hup met een boog er weer in.
Als labradorbeest kun je je helemaal geven.
Je voelt je heerlijk dat is leven.
Eenmaal thuis heb ik fijn liggen dromen.
Over de dagen die nog zullen komen.

Rina stouten

Een zomerse dag van een Lab

 

De zonnige beleving van een lab

Ik werd wakker ,de zon die scheen
Als Lab wil je ergens heen.
Dan maar heerlijk naar het bos
En toen mocht ik lekker los.
Ik ging er als een speer vandoor
Want een Lab kan rennen hoor.
De bladeren vlogen in het rond
Dat is leven voor een hond
Toen opeens een hoop gesnater
Een hoop eenden in het water.
Die hadden het best naar hun zin,
Dus dacht ik ,hup ook er in.
En opeens een beetje later
Vloog er opeens een stok in,t water.
Nu die neem je in je bek
en je sleept hem als een gek
Uit het water op het land
En dan leg je hem galant
Druipend voor hun voeten neer
En dan gooien ze hem weer.
Dat doen ze dan velen keren
En als hond moet je je weren.
Dan roept je baasje,kom
Nu eruit wij gaan weerom.
Uitgeteld en moe gestreden
Zijn wij toen naar huis gereden
Ik heb genoten,dit was fijn
Zoals een labrador dag hoort te zijn.
Genieten dus Rina Stouten.

De zonnige beleving van een lab
Heb je ook een leuk gedicht over honden en wil je die hier plaatsen?
mail je gedicht dan door naar de WEBMASTER.

 

spacer

Hernia

Met het begrip hernia doelen we meestal op een hernia van de tussenwervelschijf. Maar wat is dat precies? De algemene betekenis van een hernia is een uitstulping of uitpuiling door een breukpoort. Dus als darmen via een scheur in de buikwand onder de huid terecht komen, bijvoorbeeld na een ongeval, noemen we dat ook een hernia. De deftige naam voor een hernia van de tussenwervelschijf is hernia nuclei pulposi. In gewone taal tekkelverlamming.

Tussen iedere twee wervels zit een schijf stevig bindweefsel, die net voldoende elastisch is om de wervelkolom (waar het kwetsbare ruggenmerg doorheen loopt) soepelheid te geven. Middenin heeft de tussenwervelschijf een met vocht gevulde holte, die als het ware als een stootkussentje fungeert. Soms vermindert de kwaliteit van het bindweefsel van één of meer tussenwervelschijven. Die worden dan minder elastisch en mogelijk zelfs zo broos dat de weke kern naar buiten stulpt. Die uitstulping drukt op het zenuwweefsel (vooral bij de rughernia), zodat pijn en zenuw uitvalsverschijnselen ontstaan.

Rughernia

In het gebied van de 9e borstwervel tot de 1e heiligbeenwervel, dat is het achterste deel van de rug, kan zo’n uitstulping (die soms ook nog is ingedroogd en dan dus een hàrde uitstulping is) ernstige gevolgen hebben. Vooral als een tussenwervelschijf plotseling ‘knapt’ en het tere zenuwweefsel een harde tik krijgt, kunnen er bloeduitstortingen in het ruggemerg ontstaan, die zich als een olievlek uitbreiden. De verschijnselen van zenuwuitval, hoewel begonnen in het achterste deel van de rug, kunnen zich dan uitbreiden tot bijvoorbeeld de voorpoten. Gelukkig komen deze zeer ernstige, helaas meestal hopeloze gevallen zelden voor. De symptomen variëren van alleen pijn, eventueel met een lichte achterhandslapte, via spastische bewegingen van de achterpoten, tot een totale verlamming zonder pijn (zelfs die is dan uitgeschakeld) en onvermogen om urine en ontlasting te lozen. Die laatste situatie heeft nog maar een zeer bedenkelijke prognose. Pijn uiten de honden als volgt: gillen, piepen, niet durven gaan zitten, moeite met ergens op springen of traplopen, doodstil blijven liggen, wil soms ook niet meer eten, vaak staat hij met een opgebolde rug en heeft een wat gespannen buik. We zien deze afwijking vaak bij de Tekkel, vandaar dat deze afwijking ook wel ‘tekkelverlamming’ wordt genoemd. Ook de Pekingees is een zwakke broeder op dit punt. Af en toe zien we het bij andere rassen en bastaarden. Overigens zijn het niet altijd oude honden die aan een hernia lijden; vaak zitten ze tussen de leeftijd van 3-5 jaar. Zeker bij een jonge hond en ook als het een hond betreft van een ras dat ‘gevoelig’ is voor rughernia, raadpleegt u het beste, zelfs bij alleen rugpijn, zo snel mogelijk een dierenarts.

Halshernia

Een tweede gebied waar problemen kunnen optreden ten gevolge van hernia is de hals, vanaf de schedel tot de eerste borstwervel. Omdat er in de halswervels meer ruimte zit, zal een hernia hier niet gauw tot verlammingen leiden. Meestal is er alleen maar pijn: de hond piept bij het aanraken van de kop en bij bepaalde bewegingen met de kop, hij heeft een ‘stijve nek’ en houdt zijn nekspieren gespannen, hij kan niet bij de etensbak (die moet meestal hoger worden gezet), hij beweegt als hij naar boven kijkt alleen zijn ogen. De verschijnselen lijken op die van een hersenvliesontsteking; laat uw dierenarts de juiste diagnose stellen. Heel typisch voor een halshernia kan zijn als opvalt dat uw hond vaak met één voorpootje struikelt
– een teken van lichte verlammingsverschijnselen.

Therapie

Voor wat betreft de hernia, en dan in het bijzonder de rughernia, gelden twee belangrijke regels voor de thuismedicatie:

1. Nooit (op eigen houtje) pijnstillers geven. Door uitschakeling van de pijn bestaat de kans op forceren, dus op een acute hernia, die ernstige gevolgen kan hebben.

2. In elk geval nooit zelf een (vermoedelijke) hernia behandelen als ook maar de geringste zenuwuitvalverschijnselen blijken.

Bij een acute rughernia met uitvalsverschijnselen zal de dierenarts moeten kiezen: òf opereren òf injectie met corticosteroïden, die de ontsteking remmen en het vocht ruimen (het afvoeren van bloed en vocht betekent afname van de zwelling en dus ook afname van de pijn en de druk op het zenuwweefsel van het ruggenmerg), òf de homeopathie. Praktisch gesproken komt het erop neer dat in de eerste 48 uur de homeopahtie als behandelingsmogelijkheid (tenminste als behandeling alléén) afvalt. Er moet een keuze worden gemaakt tussen een operatie of een behandeling met corticosteroïden. De corticosteroïd-behandeling blijkt in een aanzienlijk percentage van de gevallen te helpen, terwijl de resultaten van de operatie soms toch te wensen overlaten. Niettemin zijn er een paar gespecialiseerde chirurgen die door hun ervaring betere resultaten boeken. De tijdelijke bijwerkingen van kortstondig gebruik van corticosteroïden mogen geen nadeel meer heten in het licht van een kritieke rughernia met uitvalverschijnselen en de baat die we daarbij van deze middelen kunnen hebben. Ongeveer 48 na het ontstaan van de acute verschijnselen en direct in aansluiting op de corticosteroïd behandeling kunnen met homeopathisch middelen, eventueel gecombineerd met fysiotherapie of acupunctuur de ‘rest’ van de verschijnselen genezen. Volledige genezing kan soms weken tot maanden in beslag nemen, omdat beschadigd zenuwweefsel traag geneest.

Let op!

Bij verlamming van blaas en darm moet erop worden toegezien, dat de urine en ontlasting dagelijks (met hulp) geloosd worden. Urine het liefste 2 x daags. Als de urine te lang in de blaas staat kan er een blaasinfectie optreden, die soms kan opkruipen naar de nieren. Bovendien kan een overrekking van de blaaswand later leiden tot een chronische blaasfunctie stoornis, die oorzaak is van een chronische blaasontsteking. Als er sprake is van een blaas- of nierontsteking moeten natuurlijk antibiotica eraan te pas komen.

Homeopathie

Arnica
Arnica is in staat om bloeduitstortingen en vochtophopingen die zijn ontstaan tijdens het optreden van een hernia op te ruimen. Daardoor nemen zwelling en pijn af, terwijl de druk op het zenuwweefsel vermindert en zenuwuitvalsverschijnselen kunnen herstellen. Het is zaak dat we in een vroeg stadium beginnen, eventueel naast de corticosteroïd-behandeling. Het is verstandig om Arnica direct al te combineren met Hypericum, om zo snel mogelijk aan het herstel van het zenuwweefsel te werken.

Hypericum
Hypericum is het aangewezen middel in alle gevallen van vooral acute beschadigingen van het zenuwweefsel of van zenuwrijk weefsel. Het beste is als Hypericum in het vroegste stadium van de hernia wordt gegeven, samen met Arnica.

Nux vomica
Nux vomica is vooral aangewezen bij een ‘wisselende’ verlamming: de achterpoten zijn dan wisselend stijf en slap. Er kunnen moeilijkheden zijn met het lozen van de urine of de ontlasting. Nux vomica beinvloedt de prikkelgeleiding in het laatste deel van het ruggenmerg en dus indirect ook de blaas- en darmfunctie (anders dan Petroselinum, dat direct het samentrekken van de gladde spieren van de blaaswand stimuleert).

Petroselinum
Petroselinum is in een oertinctuur in staat om de spierwand van de blaas te doen samentrekken. Een extra ondersteuning bij een blaasverlamming

spacer

Hoe koop ik een betrouwbare pup?

Er worden overal pups aangeboden, via internet, de krant en allerlei andere tijdschriften. Besef dat de Labrador Retriever een erg populaire hond is waar veel ‘fokkers’ (lees: broodfokkers of rasvermeerderaars) flink misbruik van maken. Hun doel is om met minimale investering veel winst te maken. Geld aan gezondheidsonderzoeken en testen worden bij de ouderdieren daarom ook vaak minimaal of niet uitgevoerd. Het zijn dan ook vaak de pups die tegen een redelijke prijs worden aangeboden. Voor het eventueel ontbreken van een stamboom hebben deze ‘fokkers’ meestal een pasklaar verhaal over onnodige kosten e.d. Soms heeft hij wel drie of vijf nesten tegelijk en zien de hoopjes er allemaal even ielig uit (een pup van zeven tot acht wegen hoort om en nabij de zes kilo te wegen). Je hart draait om bij het zien van deze kleine hoopjes. TUIN ER NIET IN!! Ga op zoek naar een betrouwbaar adres. Probeer niet ‘goedkoop’uit te zijn met een pup met een relatief lage aanschafsprijs. In het meest gunstige geval treft u een pup die nog enigszins op een Labrador lijkt, maar die later steeds meer uiterlijke en innerlijke afwijkingen gaat vertonen. Ook heeft u een grote kans om een ziek hondje te treffen waardoor u in de eerste week al bij de dierenarts zit. In een ernstig geval heeft u hond H.D. of E.D. Een broodfokker is namelijk niet zo kieskeurig om zijn fokdieren op erfelijke afwijkingen te controleren. Het gaat er immers toch om de hoeveelheid nesten die hij kan krijgen. Uiteraard zijn de torenhoge dierenartskosten zijn in de toekomst voor uw eigen rekening.

Om u dit verdriet te besparen bent u het beste uit om een betrouwbaar adres te zoeken. Het minst risico loopt u door te informeren bij de Nederlandse Labrador Vereniging. Zij kunnen u daarbij verder helpen. U kunt zich daar laten inschrijven voor een zogenoemde puppylijst. De NLV hanteerd strenge voorwaarden en eisen waar de fokkers aan moeten voldoen willen zij in aanmerking komen om op deze puppylijst te worden vermeld.
Daarbij kunt u uw voorkeur uitspreken over de vachtkleur (zwart, blond, of bruin) en of u een reu of een teef wilt. Na uw inswchrijving krijgt u een lijst met fokkers waar op dat moment betrouwbare nestjes met stamboom zijn.

Als u besloten heeft om eens ergens te gaan kijken, let u dan op de volgende punten;

  • Gezondheidspapieren

    De goede fokker heeft zijn papieren op orde. Hij heeft er in geinvesteerd en zal ze u dus graag willen laten zien. Het betreft hier keuringen van H.D. (heupdysplasie) en E.D. (elleboogdysplasie) en een oogonderzoek dat niet ouder is dan een jaar op moment van dekking. Deze onderzoeken zijnverricht op beide ouders van de pups (dus niet op de pups zelf) De uitslagen hiervan staan op een officieel papier van de Hirschfeld Stichting. Een papiertje van de eigen dierenarts of iets wat de fokker heeft opgesteld heeft dus geen enkele betekenis.

  • De Stamboom

    Een hond met een stamboom kent vele voordelen. De voorouders van de pup zijn bekent zodat u kunt zien of er inteelt heeft plaatsgevonden. Het is echter geen garantie voor een gezonde hond. Gezondheidspapieren blijven dus belangrijk om de kans op H.D. en E.D. flink te verkleinen.

    U neemt een bezoekje aan de fokker;

  • vraag eerst naar de papieren voordat u het nestje bekijkt. U bent anders misschien snel verkocht en een fokker weet dat.
  • Heeft de fokker er bezwaar tegen als u u eventuele kinderen meeneemt? Een goed gesocialiseerde pup zal er geen moeite mee hebben en een verhaal over hygiene heeft er niets mee te maken. Dat geldt ook voor de eerste weken van de pup.
  • Is de moederhond aanwezig? Je kunt heel veel informatie uit haar halen. Stelt ze zich sociaal op? Is ze bang en terughoudend of reageert ze open en vriendelijk.
  • Hoe ziet het nest eruit? Hebben de pups voldoende ruimte en heeft de moederhond voldoende uitloopmogelijkheden om zowel bij haar pups te zijn als om even bij ze weg te kunnen. Honden bevuilen in principe hun eigen nest niet. De moederhond zal de eerste weken de onrlasting en plas van de pups zelf verwijderen maar later doet ze dat niet meer. In de laatste periode bij de moeder moeten de pups dus al de mogelijkheid krijgen om hun behoefte buiten de slaapplaats te doen.Dat kan bijvoorbeeld door een hoopje kranten in de hoek te doen. Kortom: Is de fokker al een beetje bezig met zindelijkheidstraining?
  • Mag u het nest op uw gemak bekijken? U maakt een keuze voor een hond die de komende tien tot vijftien jaar uw metgezel zal zijn. Die keuze doet u dus met uw verstand en met uw gevoel. Dat doe je dus niet even binnen een kwartiertje. Mischien wilt u zelfs een puppytest afnemen. Een bekende truuk die met name broodfokkers toepassen is dat u een hondje in de handen krijgt geduwd. Opb dat moment bent u van het nest afgeleid en mischien al verkocht. Een serieuze fokker laat u rustig kijken. Ook zal hij u eventueel helpen bij uw keuze. Als u een druk gezin heeft zal een schuchtere onzekere pup geen succes zijn. De fokker kent zijn pups al erg goed en kan u dus een klein beetje advies geven. Uiteindelijk doet uzelf natuurlijk de uiteindelijke beslissing.
  • Heeft de fokker al een beetje aan socialisatie gedaan? De eerste levensfase van de pup, met name de eerste drie maanden zijn voor de pup van levensbelang. Hier leert hij zich socialiseren. Alles wat hij in deze periode ziet en als gewoon of prettig ervaart neemt hij voor de rest van zijn leven mee. Het voorkomt dat de pup uitgroeit tot een bange, nerveuze hond die nog nergens aan gewend is. Ze moeten leren dat er meer is dan hun eigen vertrouwde omgeving. Zijn de pups al eens uit hun vertouwde omgeving geweest? Zijn ze al wat lawaai gewend? Zijn er weleens 9bijv) familieleden van de fokker bij de pups geweest? Of hebben de pups in hun hele leven alleen de voederhand van de fokker gezien en zijn ze voor de rest van de buitenwereld afgesloten geweest. In dat laatste geval; laat de pups daar waar ze zitten en kijk maar verder.

 

    • Inentingen.

      De fokker heeft de dierenarts al eens op bezoek gehad. Dus moeten de pups ingeent, ontwormt en gechipt zijn en is de fokker in het bezit van het inentingsboekje. Let er verder op of de vacht er mooi glad en gezond uitziet en dat de oogjes helder staan. Ook belangrijk; een pup van zeven tot acht weken weegt circa zes kilo.

      Zorg ervoor dat u zelf het gevoel heeft dat u er alles aan heeft gedaan om met geduld en moeite de juiste fokker heeft gevonden. Het belangrijkste is natuurlijk wat uw voorgevoel u zegt over de fokker. En vind u van het contact? Een goede fokker zal altijd in u geintressert zijn. Hij heeft veel kosten en moeite in zijn fokproduct gestoken en ziet dat graag goed afgerond. Hij mag dus best kritisch zijn. Hij zal bijvoorbeeld informeren of u ervaring met honden heeft en hoe en waar u woont. Het is voor hem echt belangrijk om te weten of de hond goed terecht komt en siert het hem als hij dus ook mensen weigert. Sommige fokkers vinden het zelfs prettig om naderhand af en toe nog eens te informeren of zijn pup goed opgroeit. In elk geval moet het tussen u en de fokker toch een beetje ‘klikken’.

      Tot slot is er nog een koopovereenkomst. Zo’n overeenkomst is voor beide partijen aan te raden. Het behartigt de belangen van pupkoper en verkoper. U weet dus precies waar u aan toe bent en tot hoe ver u eventuele gebreken kunt verhalen. Een voorbeeld van zo’n koopovereenkomst kunt u vinden op de homepage van de Nederlandse Labrador Vereniging. Informeer ernaar voordat u de fokker met een bezoek vereert.

spacer

jachtproeven

jachttraining

Bij de jachttraining

      moet de hond een aantal proeven afleggen. Hierbij kun je een diploma halen, het C-, B-, en het A-diploma. Het A-diploma is hierbij het hoogste. Om het A-diploma te halen moeten de C en B proeven voldoende zijn afgelegd. Voor een proef kan er maximaal 10 punten behaald worden en minimaal 6. Als de proef niet voldoende is afgelegd krijg je een O (onvoldoende). Om het diploma te halen moet voor alle proeven een voldoende gehaald worden.

 

Proeven voor het C-diploma:

  • Aangelijnd en los volgen
    De hond en de voorjager moeten een vast parcours afleggen, waarbij de hond netjes naast de voorjager moet lopen, zonder deze te hinderen of te trekken aan de lijn. Het parcours moet twee maal gelopen worden, één keer aangelijnd en één keer los.
  • Uitsturen en komen op bevel
    De hond moet op het commando van de voorjager vrij worden uitgezonden over een afstand van ongeveer 30 meter. Als de keurmeester de afstand voldoende vindt wordt verzocht de hond terug te halen. De hond moet direct komen op het commando (fluit of stem). Om nog een voldoende te krijgen moet de hond met maximaal 3 commando’s bij je zijn.
  • Houden van de aangewezen plaats
    De hond moet 2 minuten blijven op een door de keurmeester aangewezen plaats. Hierbij is de voorjager uit zicht. De keurmeester moet er op toe zien dat de hond niet door verwaaiing kan weten dat zijn voorjager in de buurt is. Meestal moet de hond bij deze proef liggen, maar hij mag ook zitten of staan. Denk erom dat de hond de volle 2 minuten in deze houding op de plaats blijft.
  • Apport te land
    Op ongeveer 25 meter afstand van de voorjager en zijn hond zal een dummy worden opgegooid. De hond moet netjes blijven zitten totdat zijn voorjager hem het commando geeft om te apporteren. Springt de hond in (hij gaat voordat zijn voorjager hem een commando geeft) dan kunnen er nog maximaal 8 punten gegeven worden.
  • Apport uit diep water
    De voorjager en de hond staan aan de waterkant. Er zal een schot gelost worden en er wordt een dummy in het water gegooid. De hond moet netjes blijven zitten totdat zijn voorjager hem het commando geeft om te apporteren. Springt de hond in (hij gaat voordat zijn voorjager hem een commando geeft) dan kunnen er nog maximaal 8 punten gegeven worden.

 

  • Proeven voor het B-diploma:

  • Verloren apport te land
    De hond moet een in dichte dekking geworpen dummy apporteren. De dummy wordt op ongeveer 40 meter van de plaats waar de hond wordt ingezet geworpen. De plaats wordt zo uitgekozen dat de voorjager en de hond elkaar niet kunnen zien als de hond in de omgeving van de dummy werkt. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt loodrecht op die, waarin de hond moet worden uitgestuurd. De hond wordt ingezet en deze moet de dummy opzoeken en netjes afgeven bij zijn voorjager. De hond moet dus compleet zelfstandig werken bij deze proef.
  • Markeerapport te land
    Op een afstand van ongeveer 60 meter van de voorjager en zijn hond wordt voorafgaande aan een schot een dummy opgegooid. Bij voorkeur wordt deze gegooid in een lagere dekking, zodat de dummy op de valplaats niet is te zien voor de hond. De voorjager mag zijn hond pas een commando geven, wanneer de keurmeester hem op de schouder tikt. Dit teken geeft de keurmeester ongeveer 3 tot 5 seconden nadat de dummy is gevallen. Als de hond inspringt, en hij niet binnen 5 meter kan worden afgestopt, is de proef onvoldoende afgelegd. Nadat het commando is gegeven moet de hond in een rechte lijn naar de dummy en netjes apporteren. Als de hond zoekend de dummy vindt, is de proef ook onvoldoende afgelegd. De hond moet de valplek onthouden, hetgeen markeren wordt genoemd.
  • Verloren apport over diep water
    De voorjager en de hond staan aan de waterkant. Aan de andere kant van het water zal er, zonder dat de hond het kan zien, een dummy op maximaal 40 meter van de kant worden neergelegd. De plek van de dummy is zo gekozen, dat wanneer de hond uit het water komt, de dummy niet kan zien liggen. De hond wordt over water gestuurd en moet de dummy opzoeken. Hierna zal de hond hem netjes moeten apporteren.

Proeven voor het A-diploma:

  • Dirigeerproef te land
    Dirigeren houdt in met fluitsignalen, commando’s en armgebaren de hond op afstand sturen en afstoppen. De keurmeester zal de voorjager een punt aanwijzen waar hij zijn hond naartoe moet dirigeren. Deze afstand is meestal zo’n 100 tot 150 meter. Als de hond dicht genoeg bij de plaats is aangekomen, krijg je van de keurmeester een signaal om de hond naar een duif te dirigeren en deze te laten apporteren. Deze ligt ongeveer op zo’n 50 meter van het stoppunt van de wind af. Bij deze proef zullen er 3 keurmeesters aanwezig zijn. Als een keurmeester vindt dat het naar zijn mening niet voldoende is, doet hij een boekje omhoog. Zijn er twee keurmeesters die dit doen, dan is de proef onvoldoende afgelegd.
  • Sleep van een verre loper over breed water
    Deze proef mag alleen afgelegd worden, wanneer er een voldoende behaald is voor de dirigeerproef te land. De voorjager en de hond staan aan d e waterkant. De hond moet over een breed en diep water een ver weggesleepte eend apporteren. Het spoor moet minimaal 150 meter en maximaal 300 meter lang zijn. Tevens moeten er minimaal 2 haken van ongeveer 90 graden inzitten. De hond wordt door de voorjager over het water gestuurd en moet de hond dirigeren naar de plek waar de sleep begint. Als de hond de sleep heeft opgepakt, mag de voorjager geen enkel commando meer aan zijn hond geven. De hond moet de sleep zelfstandig uitwerken en de eend apporteren. Hij mag hierbij niet verloren gaan zoeken, maar moet door middel van de sleep de eend vinden. Bij voorkeur wordt de proef zo uitgezet dat de wind uit een richting komt, variërend tussen recht van achteren en loodrecht op die, waarin de hond over het water moet worden gestuurd.
spacer

Rasstandaard Labrador Retriever

Rasstandaard Labrador Retriever

De rasstandaard voor de Labrador Retriever ziet er als volgt uit;

Algemeen beeld:
Sterk gebouwd, kort in de lendenen, bijzonder actief, breed in de schedel, breed en diep in de borst en ribben, breed en sterk in lendenen en achterhand.
Typische raskenmerken:
Goed temperament, erg behendig, buitengewoon goede neus, zacht in de mond, uitgesroken liefhebber van water. Een toegewijde, zich gemakkelijk aanpassende metgezel.
Temperament
Intelligent, levendig en gezeglijk, met een sterke wil zijn baas te behagen. Vriendelijk karakter zonder een spoor van agressie of schuwheid.
Oren:
Niet groot of zwaar, dicht tegen het hoofd aanliggend en vrij ver naar achteren geplaatst.

Cederwood Labrador Retriever

Ogen:
Middelmatig groot, met intelligente en vriendelijke uitdrukking. Bruin of hazelnootkleurig.
Hoofd:
De schedel is breed met duidelijke stop, scherp besneden zonder vlezige wangen. De kaken zijn middelmatig lang en niet spits toelopend. De neus is breed en de neus is goed ontwikkeld.
Mond:
Kaken en gebit zijn regelmatig en compleet scharend en recht in de kaak.
Hals:
Droog, sterk en krachtig geplaatst op goed liggende schouders.
Lichaam:
Borstkas van goede breedte en diepte, met goed gewelfde, tonvormige ribben. Horizontale bovenbelijning. De lendenen zijn breed, kort en sterk. De schouders zijn lang en schuin liggend. Voorbenen voorzien van stevige botten en recht van de elleboog tot de grond, zowel van voren als van opzij bezien. De achterhand is goed ontwikkeld, niet naar de staart aflopend, goed gehoekte knie en laag geplaatste hakken.
Voeten:
De voeten zijn rond, compact, heeft goed gebogen tenen en goed ontwikkelde voetzolen.
Staart:
Kenmerkend voor het ras, erg dik bij de aanzet en geleidelijk toelopend naar de punt, van middelmatige lengte, geen bevedering maar rondom dik bekleed met een korte dichte vacht. Door de ronde vorm wordt deze beschreven als Otterstaart.
Vacht:
De vacht is kort, dicht zonder golven of bevedering. Hij voelt vrij hard aan. Daaronder zit een weerbestendige ondervacht.
Kleur:
Geheel zwart, geel of lever / chocolade kleurig. De gele kleur varieërd van licht roomkleurig tot vossenrood.
Hoogte:
De ideale schofthoogt van de reu is 56 – 57 cm. Bij teven os dit 54 – 56 cm.
Gangwerk:
Het gangwerk is vrij, voldoende bodem beslaand, recht en zuiver zowel voor als achter.

spacer

Jachthonden Labrador Retriever

 

STAANDE HONDEN

Engelse staande honden

Pointer
Een specialist voor het staande werk. Bedoeld om veerwild voor te staan. Gebouwd om snel te kunnen galopperen en dit langere tijd vol te houden. Daardoor zijn ze in staat een bijzonder groot terrein af te zoeken. Altijd wit met donkere aftekening, wat hen op grote afstand nog goed zichtbaar maakt. De hoge kophouding en bouw van de neus zijn gericht op het opvangen van verwaaiing. De pointer wordt in ons land weinig gebruikt omdat de velden hier meestal te klein zijn.

Ierse setter
Qua werk gelijk aan de pointer. Dit ras is razend populair geweest bij schoonheidsfokkers en daardoor niet meer op jachteigenschappen gefokt. De oorspronkelijk aanwezige goede jachteigenschappen verdwenen grotendeels, waardoor dit ras een tijdlang niet meer werd gebruikt in ons land. De laatste jaren worden er in ons land weer op jacht geselecteerde Ierse setters gefokt. In de werklijnen ziet men ook veel rood-witte setters.

Engelse setter
Deze setter is net als de Ierse setter door schoonheidsfokkerij veel van zijn jachtaanleg kwijtgeraakt. Naast de typische schoonheidslijnen is er ook een werktype, dat nog wel over de juiste jachtaanleg beschikt. Het is een ruim jagende hond, geschikt voor grote velden. Wordt in ons land op beperkte schaal voor de jacht gebruikt.

Gordon setter
Deze hond is wat minder op snelheid gebouwd dan de andere setters. Daardoor neemt hij minder veld. De Gordon setter wordt in ons land niet veel gebruikt.

 

STAANDE HONDEN

Snelle, ruim jagende continentale honden

Duitse staande korthaar
Deze snelle, ruim jagende Duitse staande is in ons land een populaire jachthond. Met een goede opleiding is deze hond een goede all-round jachthond. Alleen zijn dunne vacht maakt hem minder geschikt voor extra koud waterwerk. Komt voor in effen bruin, bruin-schimmel eventueel met platen.

Duitse staande langhaar
Net als de Korthaar een snelle, ruim jagende hond. Is in ons land zeer geliefd als jachthond. Mede door zijn dichte, beschermende vacht ook na het schot geschikt voor zwaar waterwerk. Hierdoor nog meer all-round dan de Korthaar.
Naast de kleur bruin komt de Langhaar ook voor in de kleur bruin-bont.

Duitse staande draadhaar
Een robuuste jachthond, die een wat langzamer arbeidstempo heeft dan de twee vorige Duitse staande rassen. Maar toch zeer geschikt voor het staande werk. Door zijn harde, dichte beharing bijzonder geschikt voor het werken in dichte dekkingen en voor zwaar waterwerk. Een echte all-round jachthond met een stevig karakter. Heeft dan ook een baas nodig die dat aankan. De Draadhaar is in ons land een veel gebruikte jachthond.

Griffon
De Griffon lijkt in zijn werk veel op de Draadhaar. Het verschil in uiterlijk zit in de meer “wollige” vacht en een sterker behaard hoofd. Het karakter van de Griffon is iets meegaander dan dat van de Draadhaar. Bij de jagers is de Griffon minder bekend en daarom ook minder gebruikt.

Vizsla
Ook wel Hongaarse staande hond genoemd. Een vrij snelle hond met een aanhankelijk, gevoelig karakter. Is een goede apporteur, maar door de zeer dunne vacht niet geschikt voor zwaar waterwerk. De Vizsla heeft altijd de typische goudbruine kleur. Naast de kortharige Vizsla is er ook een draadharige Vizsla, die geschikter is voor koud waterwerk.

Epagneul Breton
Dit kleine Franse hondje jaagt met grote allure, snel en ruim. Is in de eerste plaats een staande hond en vaak in mindere mate een apporteur. Heeft een eigenzinnig karakter en is daardoor niet eenvoudig af te richten. Komt voor in de kleuren rood-bont, zwart-bont en bruin-bont. Wordt in ons land niet bijzonder veel voor de jacht gebruikt.

 

STAANDE HONDEN

Minder snel en minder ruim jagende continentale honden

De Spinone Italiano
Door: Esther Molenaar

De Spinone Italiano is naast de Bracco Italiano waarschijnlijk het oudste jachthondenras van Italië. Was de Spinone in eigen land al meer dan duizend jaar bekend, nu reikt zijn faam ook over de landsgrenzen.
De jagende Spinone vindt zijn plaats in het rijtje van de voorstaande honden die met effectieve snelheid onder het geweer jagen. Vóór het schot als een voorstaande hond en na het schot als apporterende hond. Vergelijken is lastig. Sommigen zeggen: Vergelijk je een Pointer met een Porsche, dan kun je een Spinone als een vierwiel-aangedreven terreinwagen beschouwen. Dat zegt genoeg over de stijl van de jagende Spinone. Vanwege zijn grove zware bouw, dikke huid en ruwharige vacht dendert de Spinone door ieder type terrein. Dichte braamstruiken, ruige rietkanten, ruwe en moeilijk begaanbare hellingen, zeer koud water, het deert de Spinone niet. Rustig werkend komt de hond overal doorheen, schuwt geen dekking en laat geen wild zitten.
Snel is de Spinone niet. Toch is dit ras uitermate effectief. Op grote afstand ruikt de Spinone fazant of patrijs en jaagt daar dan in zijn kenmerkende stijl in goed contact met de voorjager naar toe. Het is juist het gangwerk waardoor de Spinone zich onderscheidt van de andere staande honden. De hond galoppeert eigenlijk zelden maar legt het parcours dravend af. Deze gang wordt ook aangeduid als “trotten”. Bergafwaarts kan de hond wel eens in galop gaan, maar de typische draf is het meest wenselijk. Met een gewicht van 35 tot 40 kilo en een schofthoogte van 70 cm blijkt deze manier van bewegen en jagen het meest effectief.
Werken met de Spinone is plezierig, haast relaxed. Een stabiel karakter, een sterke wil om wild te vinden en te apporteren, schotvastheid en de altijd aanwezige “will to please” maken dat de Spinone in de praktische jacht zeer bruikbaar is. Door het rustige tempo waarin de Spinone zijn opdrachten uitvoert, wordt wild niet snel voorbijgelopen. De Spinone is niet kieskeurig en apporteert zonder moeite haas, eend of vos, en is daarbij bijzonder zacht in de bek. Verder kent het ras geen watervrees en heeft door de ruige dikke vacht niet snel last van de kou.
Men moet niet denken dat een Spinone een gemakkelijk af te richten hond is. Want onder hun haast menselijke uitdrukking zit toch een eigenwijze kop. Maar met voldoende ervaring en met veel tijd kan men een heel eind komen. Deze grote, stoere jachthond verdient een zachte, vriendelijke hand van iemand, die veel geduld in opvoeding en africhting wil steken.

Drentsche Patrijshond
Een product van Nederlandse bodem. Een vriendelijke hond met een meegaand karakter. Niet geschikt voor het afzoeken van grote velden, maar gemaakt voor een kleinschalig landschap. Een betrouwbare apporteur, die door zijn gewillige karakter niet moeilijk af te richten is. Kleur is altijd bruin-wit. Redelijk populair.

Friese stabijhond
Dit meestal zwart bonte Friese ras is qua werk te vergelijken met de Drentse Patrijshond. Helaas worden nog maar weinig Stabij’s voor de jacht gebruikt waardoor de selectie op jachteigenschappen gevaar loopt.

Grote Münsterlander
Zit qua werk ook in de categorie van de Drentse Patrijshond. Omdat de Grote Münsterlander uit Duitsland afkomstig is, is hij wel harder van karakter. Te herkennen aan zijn zwart-witte tekening. Men ziet ze niet erg veel op jacht.

Kleine Münsterlander of Heidewachtel
Het is de kleinste Duitse staande hond en is ook bedoeld voor jachtvelden, met afwisselende, kleine percelen. Ondanks zijn zeer actieve zoekwijze, blijft de Heidewachtel doorgaans onder het geweer. Komt voor in bruin-bont en bruin-schimmel. Is een geliefd jachthondje in ons land.

Weimaraner
Dit opvallende “muisgrijze” ras, jaagt ook kort onder het geweer. Het ras werd vroeger ook “manscherp” gefokt als jachtopzichtershond. Eigenschappen die hij nu nog in zich heeft. Niet bijzonder populair bij jagers.

Epagneul Francais
De Epagneul Francais is een van de oudste staande hondenrassen. Volgens de Fransen ligt de oorsprong bij de beroemde staande hond van Oysel of Espainholz. Daaruit vormde zich het woord Epagneul. Veel schilderijen, wandkleden en prenten tonen de hond zoals hij jaagt. De langharige witte hond met kaneelkleurige platen en vlekjes die het wild, patrijzen, liggend aanwijst. Het woord “esplanir”, dat “gaan liggen” betekent zou de naam Epagneul verklaren. De honden werden gebruikt voor de jacht met het net, waarbij hond en vogels onder het net werden gevangen. Later, toen het geweer gebruikt werd strekte de hond zich en werd hij een voorstaande hond. De Epagneul Francais staat goed voor en apporteert uitstekend. Zwaar en moeilijk terrein heeft zijn voorkeur. De hond is zacht van aard en echt waken is er niet bij. In huis is het een kalme en vriendelijke hond. Zeer gehecht aan baas en gezinsleden mag u hem zien als grote kindervriend. Hij stelt weinig eisen aan verzorging en huisvesting. Vechtlust en dominantie zijn hem vreemd. Uitlaten is ontspanning als de hond tenminste goed is opgevoed. Een Francais wil graag leren en een sterke baas is hem het liefst. Reuen zijn tussen de 55 en 61 cm hoog en teven tussen de 54 en 59 cm.
Secretaris Marlies Kortenhorst (015-3697339).

 

DRIJVENDE HONDEN

Engelse Springer spaniel
Deze vrij grote spaniel is een echte all-round drijfhond. Door zijn snelheid bijzonder geschikt voor het opstoten van fazanten. De Springers zijn zeer goede apporteurs, die ook met het waterwerk geen enkel probleem hebben. Een vol haas kunnen ze wel dragen, maar een Springer is zeker niet de eerste keus op een echte hazenjacht. Een Engelse Springer kan bruin-bont of zwart-bont zijn. Het ras is bijzonder populair bij jagers.

Welsh Springer spaniel
Deze fraai uitziende spaniel is ook meer bekend van de tentoonstellingen dan uit het jachtveld. Toch zijn er nog goed jagende Welsh Springers in ons land aanwezig. Zijn werk is gelijk aan dat van de Engelse Springer. Ze zijn in karakter een stuk zachter, deels ook door minder jachtgerichte fok. De Welsh Springer is altijd rood-wit.

De Engelse Cocker Spaniel
De Engelse Cocker spaniel is de kleinste van de spanielrassen. Door zijn fraaie uiterlijk en handzaam formaat ook erg geliefd als huishond en daarom door de schoonheidsfokkerij niet meer geselecteerd op de jachteigenschappen. De Cocker spaniël is geschikt om zowel op haarwild als op veerwild te jagen, maar zijn specialiteit is de jacht op konijnen. Door zijn grondige zoekwijze zal hij ook het meest vastzittende wild vinden en tot springen dwingen. Een Cocker is geschikt om te apporteren, mits het wild niet te groot is (haas).
De Cocker komt in vrijwel alle kleuren voor. Voor de jacht verdient een hond met veel wit de voorkeur.(veiligheid). In ons land komt steeds meer vraag naar werkende Cockers.

Duitse Brak of Steenbrak
Deze betrekkelijk kleine brak is geschikt voor de jacht op het haas in grote, aaneengesloten bosgebieden. Hij heeft de typische brakkenkleur bruin met witte aftekeningen en een zwarte rug. Door gebrek aan geschikte jachtvelden zeer weinig in gebruik in ons land. De Steenbrak is ook geschikt als zweethond.

 

RETRIEVERS

Labrador retriever
De meest populaire retriever op jacht. Jachtgefokte retrievers hebben van nature de eigenschap om de baas een plezier te doen (will to please). Deze eigenschap maakt ze gemakkelijk af te richten. De labrador is een doorzetter en daardoor bijzonder geschikt voor zwaar waterwerk. Komt voor in de kleuren zwart, geel en chocolade (bruin).

Golden retriever
Het karakter van een Golden is in het algemeen zachter dan dat van de Labrador. Dit kan soms tot uiting komen door wat minder doorzettingsvermogen. De Golden werkt meestal iets “kalmer” dan de Labrador en is door zijn zwaardere vacht iets trager in het zwemmen. Is de meest geliefde huishond in ons land, maar gelukkig zijn er nog voldoende op jacht geselecteerde Goldens. De kleur kan licht – tot donkergoud zijn.

Flatcoated retriever
Dit ras heeft het meeste temperament van alle retrievers. dat maakt dat hij vaak minder rustig op post is. Door dit temperament heeft de Flatcoat meestal wel een goede, actieve zoekwijze. Is minder populair als jachthond dan Labrador en Golden. Komt voor in de kleuren zwart en bruin (lever).

Curly coated retriever
Dit zeer oude ras is gefokt voor de jacht op waterwild in zwaar terrein en onder barre omstandigheden. De Curly heeft een vacht die bestaat uit een massa kleine krullen, die zo dicht aangesloten liggen, dat ze de hond een goede bescherming tegen water geven. Snelheid is bij dit werk niet belangrijk, accuraat werken wel, vandaar dat een Curly zijn werk ook kalm uitvoert. Naast het apporteren had de Curly ook tot taak de jachtopzichter te begeleiden en zijn mannetje te staan tegen stropers.
Hierin onderscheidt de Curly zich van de andere Engelse retrievers. Een Curly is laat volwassen en door zijn sterke eigen wil is het geen gemakkelijke hond om af te richten. Is niet erg populair bij jagers. De kleuren zijn zwart of leverkleurig (bruin)

Cheasapeake Bay retriever
In tegenstelling tot de vier eerder genoemde retrievers, die uit Engeland afkomstig zijn, is de Ches een product van Amerikaanse bodem. Hij heeft dan ook een totaal ander karakter. Dit komt omdat hij niet is gefokt als apporteur voor de drijfjachten, waar sociaal gedrag t.o.v. andere honden een rol speelt. Hij werd in Amerika gebruikt door broodjagers op waterwild. Hij heeft dan ook een enorme waterwil en een groot doorzettingsvermogen. Zijn dichte, vettige beharing maakt dat hij het onder de meest extreme condities niet koud krijgt. Is geschikt voor alle apporteerwerk, maar blinkt uit in waterwerk. De kleur is altijd bruin, waarbij de kleur van dood gras de voorkeur geniet.

Nova Scotia Duck Tolling Retriever
De Nova Scotia Duck Tolling retriever ook wel Toller genoemd, is specifiek gefokt voor het lokken van eenden en het apporteren van geschoten eenden te land en uit het water. Het werk van de Toller speelt zich af rond de grote Canadese meren. De jagers bouwen met behulp van camouflage netten een schuilhut, waarin zij zich aan het zicht van de op het water liggende eenden kunnen onttrekken. Vervolgens gooit men een balletje of een stukje hout in de richting van de waterkant en laat de Toller hierbij gewoon inspringen. De hond moet de bal of de stok terugbrengen in de schuilhut. Door dit een aantal malen te herhalen zal de hond steeds enthousiaster worden wat zich uit in een hoge, snelle beweging van de staart. Doordat de eenden de beweging op de oever dan weer niet en dan weer wèl zien, wordt hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Daardoor zwemmen zij in de richting van de bewegende hond en trekken op hun beurt weer andere nieuwsgierige eenden aan. Als zich na een aantal goed uitgevoerde tol’s voldoende eenden hebben verzameld, is het de beurt aan de jagers. De hond zit dan rustig naast de jagers in de hut. Pas als er eenden worden geschoten mag hij weer in actie komen om het wild te apporteren. Een Toller is een natuurlijke apporteur. Over het ontstaan van het ras doen verschillende verhalen de ronde. Algemeen wordt aangenomen dat het Nederlandse Kooikerhondje een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ras. Waarschijnlijk zijn later kleine collieachtige honden ingekruisd alsmede Chesapaeke Bay retrievers.

 

AARDHONDEN

Ruwharige teckel
Teckels zijn zeer laagbenige brakken. Door deze lage bouw zijn ze geschikt om in holen te gaan. Ze hebben een aangeboren roofwildscherpte en ook het luid- op-spoor van de brak hoort van nature aanwezig te zijn. Is naast het werk op de vossenbouw ook bijzonder geschikt voor het zweetwerk.
Ook wel gebruikt voor het drijven van haarwild en wilde zwijnen. De ruwhaar heeft een wildkleur en heeft een goed beschermende vacht met veel onderwol. Deze teckel is het meest geliefd bij jagers.
Er zijn drie maten: de standaard-, de dwerg- en de kaninchenteckel. Deze laatste is klein genoeg om in een konijnehol te gaan.

Langharige teckel
Doet hetzelfde werk als de ruwhaar, maar heeft een andere vacht. Komt voor in de kleuren rood en rood-zwart.

Kortharige teckel of dashond
Doet ook hetzelfde werk als de andere teckels. Komt voor in de kleuren rood, roodgeel, en zwart met bruine aftekening.

Jack Russell terriër
De Jack Russell kan zowel hoogbenig als laagbenig zijn. De kleur is overwegend wit met geel-bruine of zwarte aftekeningen. Glad- of ruwharig. Ze zijn in Engeland gefokt en daar gebruikt voor het werk op de vos. In ons land erg populair, ook als huishond. Naast het werk als bouwhond ook veel gebruikt voor het drijven van wilde zwijnen.

Duitse Jachterriër
Deze zwart-rode terriër is een combinatie van de Foxterrier en de Welsh terriër. Gefokt op een enorme roofwildscherpte. Kan naast het werk op de bouw ook goed gebruikt worden voor het drijven van wilde zwijnen. Is (gelukkig) geheel in jagershanden en wel voornamelijk bij de grofwildjagers.

 

ZWEETHONDEN

Hannoveraanse zweethond
Dit ras wordt al ruim twee eeuwen gefokt als zweethond voor het werk op aangeschoten roodwild (edelhert). De Hanoveraanse zweethond komt in ons land dan ook alleen voor in jachtvelden waar edelherten worden geschoten. Het is een redelijk grote, compacte hond met een lichtrode tot donker hertrode kleur; ook kan hij zwart gestroomd of gevlamd zijn. Voor zijn werk is veel rust en concentratie nodig. Hij is in staat een ziek hert nog dagen later op zijn zweetspoor te vinden. Zelfs als er een laagje sneeuw overheen gevallen is. Bij het volgen van een zweetspoor wordt altijd aan de lange riem gewerkt.

De Beierse Bergzweethond
Doet hetzelfde werk als de Hannoveraan, maar is wat eleganter van bouw. Dit vanwege zijn werk in het gebergte.

spacer

Orweja labrador-retriever Organisatie wedstrijdwezen jachthonden

Inhoudsopgave

Diploma C:                                                                                         Ghyllbeck Falco from Britain

  1. Proef A: Aangelijnd en los volgen  
  2. Proef B: Uitsturen en komen op bevel
  3. Proef C: Houden van de aangewezen plaats.            

     Diploma B:

  1. Proef D: Apport te land
  2. Proef E: Apport uit diep water.
  3. Proef F: Verloren apport te land
  4. Proef G: Markeerapport te land 
  5. Proef H: Apport over diep water

     Diploma A:

  1. Proef I: Dirigeerproef te land.
  2. Proef J: Apport van verre loper over breed water 
  1. Algemene bepalingen
  1. Meervoudige apporteer proeven (MAP’s)
  1. Nimrod
  1. DE KNJV -PROEF – OPZET EN DOELArtikel A.1
    1. Een KNJV -Proef bestaat uit drie gestandaardiseerde gedrag – en gehoorzaamheidsproeven (A tot en met C) en zeven gestandaardiseerde apporteerproeven (D tot en met j).
    2. Het doel van de KNJV -Proef is primair de mate van perfectie en het niveau van de opleiding voor het werk na het schot van de deelnemende honden vast stellen door middel van een formeel examen aan de hand van gestandaardiseerde gedrag – en gehoorzaamheidsproeven en gestandaardiseerde enkelvoudige apporteerproevenORGANISATIEArtikel A.2
    1. Een KNJV -Proef mag uitsluitend worden georganiseerd in het daarvoor vastgestelde seizoen. Dit seizoen loopt van 1 juli tot en met 30 september.
    2. Een KNJV -Proef mag worden georganiseerd door gewesten, combinaties van gewesten, rasverenigingen en door combinaties van rasverenigingen.TOELATINGSEISENArtikel A.3
    1. Onverkort het gestelde in de hierna volgende leden van dit artikel worden op KNJV -Proeven honden toegelaten die voldoen aan het gestelde in artikel V2 van dit reglement.
    2. Honden, die niet zijn opgenomen in een door de F.C.I. erkend hondenstamboek maar waarvoor de inschrijving volgens het eerste lid is opengesteld, mogen uitsluitend worden toegelaten op KNJV -Proeven, georganiseerd door de K.N.J.V, gewesten of combinaties van gewesten.
    3. Cryptorchide, monorchide en gecastreerde reuen mogen worden geweigerd op KNJV -Proeven, georganiseerd door rasverenigingen of combinaties van rasverenigingen.
    4. Honden, die niet zijn opgenomen in een door de ECI. erkend hondenstamboek, Cryptorchide, monorchide en gecastreerde reuen mogen niet worden toegelaten tot de proeven I en J.
  2. KEURMEESTERS
  3. Artikel A.4
    1. Op een KNJV -Proef moeten minimaal drie keurmeesters ambteren. Indien door onvoorziene omstandigheden een keurmeester uitvalt en de mogelijkheid ontbreekt daarin alsnog te voorzien, mag, mits de organiserende instantie overmacht kan aantonen, na toestemming van de gedelegeerde, met twee keurmeesters worden volstaan.
    2. De proeven A tot en met H worden gekeurd door één keurmeester; de proeven I en J worden gekeurd door de gezamenlijke keurmeesters, of indien er meer dan drie keurmeesters ambteren, door drie, door de gedelegeerde aan te wijzen keurmeesters.

    INRICHTING EN BEOORDELING VAN DE PROEVEN

spacer

Jachttraining Laborador

Jachttraining Laborador
Jachthonden

      zijn bij veel mensen populair, omdat ze een aantal aantrekkelijke eigenschappen bezitten: ze werken graag samen met mensen, zijn meestal erg vriendelijk, actief en intelligent.
      Door gerichte fokkerij op jachtkwaliteiten zijn deze eigenschappen genetisch vastgelegd. Verschillen tussen landen en culturen leidde tot verschillende jachtvormen. Door in al die landen selectief te fokken, ontstond een grote verscheidenheid aan soorten jachthonden. Elk jachthondenras heeft zijn eigen specifieke kenmerken en mogelijkheden.

Jachthonden

hebben veel beweging nodig. Voor alle rassen geldt dat de hond tekort komt als hij alleen drie keer per dag een blokje om mag. U kunt de hond natuurlijk meenemen op jacht, maar deelnemen aan een jachthondentraining is ook voor honden waar niet mee gejaagd wordt een uitstekende en leuke manier om hem op te leiden.

Training van jachthonden

      Van nature bezitten jachthonden de eigenschappen die zij voor hun taak tijdens de jacht nodig hebben. Die eigenschappen moeten wel ontwikkeld en in goede banen geleid worden. Het succesvol trainen van jachthonden betekent iedere dag bewust en consequent bezig zijn met de hond en veel oefenen. Goed opgeleide jachthonden zijn onmisbaar voor de jacht. De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV) organiseert daarom op diverse plaatsen trainingen. In deze cursus “zelfopleiding jachthonden” leert men de hond op te leiden tot een bruikbare jachthond. De cursus begint in maart/april en wordt in alle provincies aangeboden. Meestal bestaat de beginnersgroep uit honden van 6 tot 18 maanden. Op sommige plaatsen worden ook cursussen aangeboden, waar jachthondenpups vanaf een leeftijd van acht weken terecht kunnen. Deelname aan een puppycursus, algemeen of gericht op jacht, is voor elke jonge jachthond aan te raden.

 

Proeven en wedstrijden

      De trainingen worden afgesloten met een examen (juli tot eind september), bestaande uit kunstmatige opdrachten, waarbij de bruikbaarheid van de jachthond voor het werk ná het schot wordt getest. Bij deze jachthondenproeven gebruikt men dood (koud) wild. Ze worden georganiseerd door de KNJV en enkele rasverenigingen, volgens het Reglement Jachthondenproeven. De proeven zijn zeer populair: bijna 4.000 combinaties doen jaarlijks mee, op ruim 60 verschillende locaties.
      Het eerste diploma dat een hond kan halen, is het C-diploma. Dit bestaat uit basis gehoorzaamheids- (appèl) oefeningen en eenvoudig apporteerwerk.
      Voor het B-diploma moet de hond niet alleen voldoendes halen voor de C-onderdelen, maar ook drie verschillende apporten met een hogere moeilijkheidsgraad binnen brengen.
      Het A-diploma wordt uitgereikt aan combinaties die alle voorgaande oefeningen voldoende afgerond hebben, en daarnaast door middel van dirigeren (de hond wordt hierbij op afstand gestuurd) en via een sleepspoor (een kunstmatig getrokken spoor van 150 tot 300 meter lengte) het wild binnen brengen.
      Honden die een B- of A-diploma hebben behaald, kunnen vervolgens meedoen aan de Meervoudige Apporteer Proeven (MAP). Een MAP bestaat uit een aantal meer op de jachtpraktijk gerichte, niet gestandaardiseerde, meervoudige apporteerproeven. Bij deze wedstrijden worden de prestaties van de deelnemende honden bij het werk na het schot beoordeeld.
      Het proevenseizoen wordt afgesloten met de NIMROD proef. De selectie voor deze wedstrijd vindt plaats op basis van de resultaten op de KNJV-proeven en de MAP’s in het afgelopen seizoen. Van ieder ras wordt de hoogst geplaatste hond met een A-diploma uitgenodigd.

De jachthondenproeven

zijn gericht op elementaire zaken zoals appèl en apporteerwerk. De beoordeling van de raseigenschappen van de hond en het werk voor het schot staat centraal bij de veldwedstrijden, die onder “normale” jachtomstandigheden plaatsvinden. Men keurt op de specifieke raskenmerken van de hond, met als doel de erfelijke eigenschappen te beoordelen t.b.v. de fokkerij. Jaarlijks worden in Nederland ongeveer 140 veldwedstrijden georganiseerd door de rasverenigingen, de verenigingen van liefhebbers van een bepaald ras. De enige veldwedstrijd die de KNJV organiseert is de KNJV Apporteer Trofee (KAT).

spacer

Ziektes en gebreken

 

 

Entschema

Pups kunnen vanaf de leeftijd van 6 weken geënt worden tegen hondenziekte, parvo en eventueel corona (eerste, voorlopige enting). Omdat het afweersysteem nog niet volledig is ontwikkeld, biedt deze pup-enting slechts een voorlopige bescherming tegen deze ziekten.
Als het hondje 12 weken geweest is, krijgt het de eerste grote cocktail tegen hondenziekte, besmettelijke leverziekte, ziekte van Weil, parvo, kennelhoest en eventueel corona (tweede enting). Deze enting wordt na een maand herhaald om de eerste te versterken (boosteren)-(derde enting). Na deze drie vaccinaties is het dier er voor een heel jaar vanaf. In het vervolg is dan jaarlijks één cocktailprik voldoende.
Het is verstandig om het jonge hondje niet aan de ontlasting of onder de staart van andere honden te laten snuffelen voordat het alledrie de entingen heeft gehad; pas een week na de herhalingscocktail, dus vanaf de leeftijd van 17 weken, is het dier volledig beschermd.
Honden die op latere leeftijd voor het eerst worden geënt, krijgen na een maand de herhalingsenting en vervolgens één cocktail per jaar. Hetzelfde geldt voor dieren die jarenlang niet meer zijn geënt.

Parvovirus Diarree

Deze uiterst besmettelijke virusziekte heeft aan het eind van de zeventiger jaren een massale en vernietigende uitbraak gehad, terwijl de ziekte voor die tijd eigenlijk niet bekend was. Het virus wordt meestal verspreid via de uitwerpselen van een besmette hond. Ook buiten het lichaam van de zieke hond is het virus nog lang besmettelijk. Dat maakt het heel moeilijk om besmetting te voorkomen.
De meest voorkomende symptomen van de ziekte zijn heftig braken en bloederige diarree. Daarnaast tast het virus het afweersysteem van de hond aan, waardoor de gevoeligheid voor andere ziekteverwekkers veel groter wordt. Soms heeft een hond het virus bij zich zonder ziek te worden.

Preventie van Parvovirus diarree
Na de eerste explosieve uitbraak van Parvovirus diarree in 1978 ontdekten wetenschappers een treffende verwantschap tussen het Parvovirus en het virus dat bij katten kattenziekte veroorzaakt. Toen bleek ook, dat een vaccinatie tegen kattenziekte een bescherming gaf tegen Parvovirus diarree. In de jaren daarna is er hard gewerkt aan de nu beschikbare vaccins op basis van de eigenlijke ziekteverwekkers.
Parvovirus diarree kan een dramatisch verloop hebben bij honden van elke leeftijd en daarom is een jaarlijkse vaccinatie van groot belang.

Kennelhoest

Kennelhoest (Infectieuze Tracheobronchitis) is een aandoening, die veroorzaakt kan worden door een aantal virussen en bacteriën. De ziekte dankt zijn naam aan het feit, dat vooral die honden de ziekte oplopen, die in de stresssituatie van een kennel zitten, waarbij veel honden vlak bij elkaar zitten en er voortdurend geblaft wordt. Het meest opvallende symptoom van de ziekte is het voortdurend hoesten, luidruchtig de keel schrapen en soms slijm opgeven. Kennelhoest wordt voornamelijk veroorzaakt door een infectie met het Paraïnfluenzavirus, het Adenovirustype 2, of de bacterie Bordetella bronchoseptica.
Het Paraïnfluenzavirus is zeer besmettelijk en veroorzaakt ontstekingen en kleine bloedinkjes op het slijmvlies van de luchtwegen. Het Adenovirus type 3 lijkt in werking sterk op het Paraïnfluenzavirus en geeft ook ontstekingen in het longweefsel, waardoor vrij gemakkelijk een bacteriële longontsteking zou kunnen ontstaan. Bordetella bronchoseptica is één van de bacteriën, die vaak gevonden wordt bij kennelhoest, of als een secundaire infectie, of als verwekker van de ziekte.

Preventie van kennelhoest
Bescherming tegen de hierboven benoemdenvirussen en bacteriën is in ieder geval goed mogelijk door middel van een jaarlijkse vaccinatie. Waarmee echter niet bereikt wordt, dat de betreffende hond absoluut niet meer verkouden kan worden. Helaas zijn er veel meer factoren, die een rol kunnen spelen bij het oplopen van een keelontsteking of verkoudheid (kennelhoest).

Hondenziekte (de ziekte van Carré)

Hondenziekte is een over de gehele wereld voorkomende virusziekte, die zeer besmettelijk is. De ziekte kent vele, uiteenlopende symptomen zoals hoesten en neusuitvloeiing, maar ook blijvend zenuwletsel, waardoor ernstige invaliditeit kan ontstaan. De ziekte kan op alle leeftijden voorkomen. Maar het zijn vooral jonge honden, die acuut ernstig ziek worden en vervolgens aan de ziekte kunnen overlijden.

Preventie van hondenziekte
In de zeventiger jaren heeft men een opvallende verwantschap ontdekt tussen het virus, dat Hondenziekte veroorzaakt en het Mazelenvirus. Het bleek, dat wanneer een hond gevaccineerd werd met een mazelenvaccin, het dier antistoffen ging maken, die het dier tevens beschermden tegen het hondenziektevirus.
Het grote voordeel hiervan is, dat de in de pup aanwezige antistoffen van de moeder niet in staat zijn, om het mazelenvaccin op te ruimen. Dat maakt het mogelijk om een pup al op de jonge leeftijd van zes weken te vaccineren en daarmee tijdelijk goed te beschermen tegen Hondenziekte, Een aantal weken later dient de pup wederom te worden ingeënt met een onschadelijk gemaakt hondenziektevirus om zodoende weerstand te verkrijgen. Bij een volwassen hond verdient het aanbeveling om deze vaccinatie jaarlijks te herhalen.

Leverziekte

Hepatitis (Hepatitis Contagiosa Canis) is een besmettelijke virusziekte, die vooral verspreid wordt via de urine van geïnfecteerde honden. De symptomen variëren van lichte koorts tot een ernstige lever ontsteking, waarbij het dier hoge koorts heeft, niets eet en uiteindelijk dood gaat. Soms kunnen de symptomen van besmettelijke leverziekte lijken op die van de Hondenziekte. Vooral bij jonge honden kan de ziekte zeer plotseling de door veroorzaken.

Preventie besmettelijke leverziekte
Hepatitis Contagiosa Canis wordt veroorzaakt door een Adebovirus type 1. Uit veiligheidsoverwegingen wordt voor het bewerkstelligen van een goede weerstand tegen deze ziekte gebruik gemaakt van Adenovirus type 2. Dit virus geeft naast een goede weerstand tegen luchtweginfecties ook een goede veilige weerstand tegen besmettelijke leverziekte. Ook hiervoor raden wij u aan, uw dier tegen leverziekte te vaccineren.

Ziekte van Weil (leptospirose)

Leptospirose (o.a. de Ziekte van Weil) is een verzamelnaam van ziekten, die veroorzaakt worden door leptospiren. Leptospiren zijn beweeglijke bacteriën, die in staat zijn om via wondjes van het slijmvlies van neus of mondholte en zelfs via de huid het lichaam binnendringen.
Eén van die leptospirosen is de Ziekte van Weil. Deze ziekte komt voor bij zowel mensen als dieren (honden en ratten bijv.). De belangrijkste infectiebron is water, dat besmet is geraakt met urine van dieren die geïnfecteerd zijn. Leptospirosen kunnen soms gedurende maanden of zelfs jaren worden uitgescheiden door dieren, waarbij de infectie sluimerend in de nieren aanwezig is. Vooral de nieren, maar ook de lever lopen hierdoor vaak blijvende schade op. Soms kan een leptospirose zeer snel verlopen met als symptomen een hond met zeer hoge koorts, gele slijmvliezen en donkergele urine.

Preventie van Leptospirose
Leptospirose is niet alleen gevaarlijk voor uw hond, maar ook voor de omgeving van uw hond. Juist omdat Leptospirose een ziekte is, die ook een risico oplevert voor de mens, is een jaarlijkse vaccinatie van alle honden aan te raden. Omdat Leptospirose niet alleen maar de Ziekte van Weil is, waarvan men denkt dat die alleen maar kan worden opgelopen als de hond in of bij het water komt, is het óók voor een hond die nóóit zwemt, toch zinvol om het dier te beschermen tegen de gevolgen van Leptospirose.

Corona

Corona is een betrekkelijk nieuwe ziekte die vaak in samenhang met Parvo wordt genoemd en wordt veroorzaakt door een virus dat zich in de ontlasting van besmette honden bevindt.
De verschijnselen zijn koorts, niet meer eten, braken en een oranjekleurige diarree, soms met bloed en slijm (uiterlijk van gemalen rauwe tomaat en een typerende geur). De kans op genezing ligt hoger dan bij Parvo maar toch kunnen vooral pups, afkomstig van de markt of hondenhandelaren, snel aan deze ziekte bezwijken.

Rabiës (hondsdolheid)

Hondsdolheid is een ziekte die voorkomt bij alle warmbloedige dieren en die overgebracht kan worden op de mens (zoonose). Het is een dodelijk virus die zich meestal pas meerdere weken na de besmetting openbaart. De besmetting is over het algemeen het gevolg van een beet of een krab van een geïnfecteerd dier. Via zo’n klein wondje verspreidt het virus zich naar de zenuwen en de hersenen. In een later stadium van de ziekte verspreidt het virus zich door het hele lichaam en naar de speekselklieren. Het speeksel is dan vaak weer de bron van infectie voor het volgende slachtoffer. De kat en de hond zijn door hun gedrag en levenswijze een van de dieren die de besmetting kunnen overbrengen op de mens. Vooral in streken waar hondsdolheid voorkomt is het zinvol de katten en honden die buiten komen te vaccineren tegen hondsdolheid. Dit is in het belang van het dier zelf, maar ook in het belang van alle mensen die mogelijk door katten en honden zouden kunnen worden besmet.

Babesiosis

Langs de Middellandse Zee bestaat gevaar voor de ziekte Babesiosis. Door de beet van een teek kunnen ziekteverwekkers in het bloed van de hond komen die de rode bloedlichaampjes vernietigen.
De verschijnselen zijn hoge koorts, bloedarmoede en geelzucht. Tegen deze ziekte is een dubbele vaccinatie mogelijk (twee entingen met een tussentijd van drie weken), een paar weken vóór vertrek. Deze entingen zijn nogal prijzig. Om die reden wordt ook wel gebruik gemaakt van een alternatief: één injectie met een medicijn dat vier weken werkt tegen babesiosis. Het is dus geen echte enting maar een lang werkende kuur tegen de ziekte. In tegenstelling tot een enting moet deze prik vlak voor vertrek worden toegediend (één tot enkele dagen). U kunt er zelf voor zorgen dat uw hond zo min mogelijk risico loopt om door een teek te worden gebeten.

Leishmaniase

Leishmaniase wordt overgebracht door kleine vliegjes. De verschijnselen zijn niet zo alarmerend (verminderde conditie, lusteloosheid en huidproblemen, soms pas lange tijd na terugkomst) maar daardoor des te verraderlijker. Het is een ernstige ziekte waar nog veel onderzoek naar moet worden gedaan. Zo zijn er momenteel nog geen afdoende medicijnen tegen en is een vaccinatie nog niet mogelijk. Deze aandoening komt voor in de binnenlanden van de aan de Middellandse Zee grenzende gebieden alsook in Portugal.
Veel honden daar zijn drager van deze ziekte die in enkel gevallen ook op baby’s en jonge kinderen kan overgaan. De enige manier om uw hond tegen deze ziekte te beschermen is vooralsnog hem niet mee te nemen naar deze gebieden. Omgekeerd wordt ook afgeraden om zwerfdieren uit deze gebieden mee te nemen, hoe verleidelijk dat ook moge zijn.

Artritis

Op de plaats waar twee botten samenkomen, zijn deze bedekt met een laagje schok absorberend kraakbeen. Normaal gesproken is dit kraakbeen zelfherstellend. Het kan echter voorkomen, zeker op wat latere leeftijd, dat dit laagje op bepaalde plekken geheel wegslijt. Het gevolg is dat het onderliggende bot bloot komt te liggen, hetgeen zeer pijnlijk is als er druk op het gewricht wordt uitgeoefend. Op den duur is het gevolg meestal dat er ontstekingen ontstaan aan het bot of aan de omliggende pezen. De meeste Arthritis-gevoelige plekken bij een hond zijn de heupen, de knieën en de rugwervels, maar het probleem kan zich op veel meer plaatsen voordoen. In sommige gevallen (als een blessure) en bij bepaalde rassen (door erfelijke afwijkingen) kan artritis al op jonge leeftijd ontstaan.

Dysplasie

Elke hondenbezitter heeft wel eens gehoord van heup-dysplasie of, afgekort, HD. De oorzaak is een erfelijke afwijking, die zorgt voor misvormingen en vergroeiingen van het bot in het gewricht. De bol- en komvorm van het gewricht wordt hierdoor aangetast, evenals een goede vorming van het kraakbeen. Het gewricht zal op den duur niet meer normaal kunnen functioneren en de kans op bijvoorbeeld artritis is groot. Meestal worden de gevolgen van dysplasie pas op latere leeftijd zichtbaar, maar in extreme gevallen kunnen de problemen zich ook al bij jongere dieren manifesteren.

Epilepsie

Epilepsie of vallende ziekte is een aandoening van de hersenschors die er toe leidt dat de patiënt tijdelijk de controle over een deel van zijn lichaamsfuncties verliest. Bekend zij de toevallen waarbij de hond omvalt, hevige spierkrampen krijgt, schuimbekt en urine of ontlasting laat lopen. Er zijn echter ook mildere vormen van epilepsie.

Oorzaken – Zoals gezegd wordt epilepsie veroorzaakt door een storing in de functie van de hersencellen. De oorzaak van deze storing kan gelegen zijn in de hersencellen zelf, maar ook allerlei ziekten elders in het lichaam kunnen de problemen veroorzaken.
In veruit de meeste gevallen is er echter geen duidelijke lichamelijke afwijking te vinden en is er echter sprake van een kortdurende, tijdelijke ontregeling van de hersenfunctie. We spreken dan van primaire epilepsie.

Voorkomen – Epilepsie komt regelmatig voor bij honden. Sommige rassen zijn duidelijk gevoeliger dan andere (Poedels, Welsh Springer Spaniëls, Duitse Staande zijn voorbeelden), maar het kan bij ieder ras voorkomen. Echte (primaire) epilepsie komt zelden voor bij honden jonger dan acht maanden. Meestal openbaart de ziekte zich tussen het eerste en derde levensjaar. Bij oudere dieren is er vaak een andere oorzaak. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld hersenbloedingen of gezwellen.

Diagnose – Het is voor ons dierenartsen niet eenvoudig om vast te stellen of een dier epilepsie heeft. De toevallen duren zo kort dat de patiënt bijna altijd al weer uit de aanval is bijgekomen bij binnenkomst in de kliniek. Het verhaal van de eigenaar is daarom van groot belang. We willen graag weten hoe oud het dier is, hoe vaak de aanvallen optreden, hoelang ze duren, of er ook andere klachten zijn enzovoorts. Een probleem hierbij is dat de aanvallen meestal komen als het dier in rust is, dus vaak ‘s nachts. Het is daarom goed mogelijk dat een dier al meerdere aanvallen gehad heeft voordat het de baas opvalt.
Bij jonge dieren met een duidelijk verhaal van toevallen is het meestal niet nodig om uitgebreid onderzoek te doen. Dit is wel het geval bij oudere dieren, of bij jonge dieren met meer klachten dan toevallen alleen. Aanvullend onderzoek kan bestaan uit bloedonderzoek, röntgenfoto’s, hartfilmpjes etc.

Behandeling – Aangezien de aanvallen maar kort duren en vanzelf verdwijnen is het niet altijd nodig om een epilepsie patiënt te behandelen. Een vuistregel is dat als het dier niet vaker dan eens per zes weken een toeval heeft en deze toevallen mild van aard zijn er geen behandeling nodig is.
Komen toevallen vaker of kort achter elkaar of heeft de patiënt zware toevallen, dan is het raadzaam het dier te gaan behandelen. Er zijn een aantal soorten medicijnen die gebruikt worden bij epilepsie, waarvan fenobarital en het hier van afgeleide mysolin de belangrijkste zijn. Bijwerkingen zin slaperigheid en soms leverbeschadegingen. Momenteel wordt er onderzoek gedaan naar andere medicijnen, maar de experimenten zijn nog niet afgerond.

Erfelijkheid – Primaire epilepsie is een aangeboren en waarschijnlijk erfelijk gebrek. Het is dus verstandig om niet te fokken met dieren die er aan lijden.

Nierproblemen bij honden

Nierproblemen bij de hond op jonge leeftijd zijn vaak het gevolg van aangeboren afwijkingen van de nieren of urine afvoerwegen. Een ander oorzaak is de opname van giftige stoffen die de werking van de nieren ernstig aantasten. Op latere leeftijd kunnen slecht functionerende nieren ontstaan door regelmatig terugkerende nierontstekingen, nierstenen of ontstekingen elders in het lichaam (bijvoorbeeld de lever).
Onder “normale” omstandigheden zorgt het bloed voor het vervoer van voedingsstoffen en zuurstof naar alle delen van het lichaam. De afbraakproducten die het lichaam nergens voor kan gebruiken, en in hoge concentraties schadelijk zijn, worden via het bloed naar de nieren vervoerd. De nieren filtreren deze afvalstoffen uit het bloed. Bij dit zuiveringsproces worden ook de nog bruikbare stoffen uit het bloed gefilterd. De nieren nemen deze nog “bruikbare” stoffen in een ander gedeelte van de nier weer op. Dit proces heet “terugresorptie”.

Gevolgen van nierproblemen
Afhankelijk welk gedeelte van de nier is aangetast, kunnen filtratie of resorptiestoornissen optreden
Filtratiestoornis – Het bloed wordt niet goed gezuiverd met als gevolg veel afvalstoffen (ureum in het bloed). De verschijnselen hierbij zijn: sufheid, geen eetlust en stinkende adem(ammoniak)
Resorptiestoornis – Belangrijke stoffen worden niet meer teruggeresorbeerd. Daardoor verliest het lichaam heel veel water, zouten en voedingsstoffen. De verschijnselen hierbij zijn: veel drinken, veel en vaak plassen, huid- en vachtproblemen, vermoeidheid en gewichtsverlies.
De niet meer goed werkende gedeelten van de nier kunnen helaas niet meer herstellen. Maar door de behandeling en een aangepast nierdieet, kunnen u en uw hond wel langer plezier van elkaar hebben.

Overgewicht bij honden

Overgewicht is het meest voorkomende probleem dat door verkeerde voeding wordt veroorzaakt. Een hond is te dik als hij meer dan 20% zwaarder is dan het ideale gewicht. Bij honden met een “juist” gewicht kan men de ribben goed voelen, maar niet zien. Omdat de verschillende in lichaamsgewicht tussen de hondenrassen nogal uiteenlopen en voor een leek vaak moeilijk te schatten zijn, is aan te raden uitsluitend af te gaan op het advies van uw dierenarts.
Overgewicht komt vooral voor bij oudere honden en bij honden die gesteriliseerd/gecastreerd zijn. Dit komt doordat deze honden minder actief zijn en een lagere stofwisseling hebben. Overgewicht door voedingsfouten komt ook bij puppies voor. Als zij teveel of te lang een energierijke voeding krijgen in combinatie met te weinig beweging, dan veroorzaakt dit een overmatige onderhuidse vetafzetting.

Gevolgen van overgewicht
Als er sprake is van overgewicht zal – net als bij mensen – ook bij de hond de kans op bepaalde ziekten toenemen. Overgewichtsdiabetes, hart- en vaatproblemen maar ook problemen met het skelet en bewegingsapparaat, kunnen worden veroorzaakt of toenemen door overgewicht. Ook huid- en maagdarmproblemen en een verminderde afweer bij infecties kunnen in verband worden gebracht met overgewicht.
Gedurende de groeifase is een regelmatige controle van het gewicht van uw hond erg belangrijk. Overgewicht kan in deze periode leiden tot skeletproblemen en klachten van het bewegingsapparaat. Tot op heden is niet bewezen dat heupdysplasie(HD) kan worden voorkomen door speciale voedingen of diëten. Overgewicht of een verkeerde voeding kan de klacht wel verergeren.

Schurftmijten

Schurftmijten zijn vooral sarcoptes-mijten, die op honden leven maar ook op mensen kunnen overgaan. Deze mijten boren tunnels in de huid van uw dier en leggen daarin hun eitjes. Dit zijn vaak plaatsen als oren, ellebogen en poten. De symptomen van deze schurftmijten zijn heftige jeuk en haarverlies. Voordat dit aangetoond kan worden, dient er een uitvoerig onderzoek van een afkrabsel van de huid worden uitgevoerd. Pas dan kan er door de dierenarts een wasbehandeling met insecticiden worden voorgeschreven. Het is goed te weten dat schurftmijten besmettelijk zijn en dat ze snel kunnen worden overgebracht op een gezonde hond.

Anti-loopsheidprik

Vaak is het ondoenlijk om de teef gewoon loops te laten worden. Veel dieren hebben er zelf veel last van, zijn onrustig en uit hun gewone doen. Hun volkomen natuurlijke ongehoorzaamheid en wegloperigheid tijdens de loopsheid brengt hen vaak in conflict met de eigenaar en kunnen zelfs leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties en ongelukken.
Ook is het voor de teef vaak moeilijk als ze een paar weken lang niet met haar speelkameraadjes mag omgaan en dat ze bij het uitlaten aan de lijn gehouden moet worden. Andere teven houden zichzelf niet goed schoon zodat er overal in huis bloedvlekken zitten.
Helemaal moeilijk wordt het natuurlijk als er ook een reu in huis is. En in meer gevallen is de loopsheid niet welkom. Denk maar eens aan het verblijf in een kennel of pension, deelneming aan hondencursussen, clubmatches of tentoonstellingen: meestal wordt een loopse teef daar geweigerd. Ook is het niet zo leuk om de oppas tijdens uw vakantie met een loopse teef op te zadelen.

In al deze gevallen is het mogelijk de anti-loopsheidsprik te laten geven. Uw hond hoeft daarvoor niet eerst een keer loops te zijn geweest. Ze hoeft de eerste loopsheid niet geheel doorlopen te hebben, als maar wel bekend is op welk moment de eerste loopsheid is begonnen.
Tegen de loopsheid kunnen twee hormonen worden gebruikt: medroxyprogesteronacetaat (MAP) en proligeston. Het MAP geeft wat meer kans op een baarmoederontsteking en borstkanker, maar het hoeft maar eens in de zes maanden te worden toegediend. Bovendien hoeft er maar weinig vloeistof te worden ingespoten.
Het proligesteron biedt een extra bescherming tegen baarmoederontsteking en het gaat schijnzwangerschap tegen. Het geeft voorts geen grotere kans op borstkanker. De hoeveelheid in te spuiten vloeistof is meer dan bij de MAP en afhankelijk van het lichaamsgewicht. Na het geven van deze prik kan er (en wel voornamelijk bij kleine rassen) een enkele minuten durende flinke irritatie op de injectieplaats optreden. Bij sommige honden heeft het een effect op de stofwisseling waardoor ze in gewicht kunnen toenemen.

Schema anti-loopsheidsprikken:
MAP: Dit hormoon mag nooit binnen een maand vóór de te verwachten loopsheid worden toegediend. Eén prik per zes maanden is voldoende. Het is verstandig de eerste loopsheid af te wachten en in plaats van de eerste prik een tablettenkuur te geven. De eerste prik volgt dan drie maanden na de tablettenkuur vervolgens wordt de injectie elke zes maanden herhaald.
Proligeston: Dit hormoon kan zonder gevaar elk gewenst moment worden toegediend. Zelfs als de injectie nog op de eerste dag van de loopsheid gegeven wordt, is de kans zeer groot dat de loopsheid binnen een paar dagen verdwijnt, dus nog voordat de teef gedekt zou kunnen worden. Die kans wordt kleiner naar mate de loopsheid gevorderd is. Dan helpen alleen tabletten nog.

Bij het constateren van de eerste loopsheid is het belangrijk dit door de dierenarts te laten controleren. Als het dan zeker is dat de hond loops is en die loopsheid niet langer dan een dag bestaat, kan direct de eerst anti-loopsheidsprik worden gegeven met proligeston.
Vaak echter is het niet met zekerheid bekend wanneer het eerste druppeltje bloed kwam. In die gevallen wordt in plaats van een injectie een tablettenkuur gegeven. De loopsheid verdwijnt dan binnen een paar dagen. Het is van belang bij deze kuur, dat deze wordt afgemaakt, anders komt de loopsheid direct weer terug.

De eerste anti-loopsheidsprik wordt uiterlijk op de eerste dag van de loopsheid gegeven of drie maanden na de tablettenkuur. De tweede prik volgt drie maanden daarna. Tussen de tweede en derde anti-loopsheidsprik zitten vier maanden en dan komen we op het schema van elke vijf maanden. In het begin wordt het schema dus opgebouwd. Bij honden, die al eens loops zijn geweest, kan op elk moment buiten de loopsheid met dit schema worden gestart.

Voor zowel MAP als Proligeston geldt dat na het staken van de anti-loopsheidsprikken het behoorlijk lang kan duren voordat de hond weer loops wordt, soms tot anderhalf jaar toe. De anti-loopsheidsprik heeft geen nadelige gevolgen voor eventuele latere nesten.

Schijnzwangerschap

De naam “schijnzwangerschap” is eigelijk niet juist. De Latijnse naam hiervoor is lactatio abnormalis (abnormale melkproduktie). De hond voelt zich niet zwanger maar denkt dat ze al een nest met pups heeft. Ze voelt zich dus op en top een moeder. Lichaam en geest van de teef zijn er helemaal op ingesteld om pups te verzorgen.
Eigenlijk is het een onschuldige speling van de natuur. Meestal treedt de “schijnzwangerschap” ongeveer negen weken na de loopsheid op. Dat is het moment dat de teef, als ze tijdens de loopsheid gedekt zou zijn geweest, had moeten werpen. Dus, ondanks zat ze niet zwanger is geweest, reageren lichaam en psyche van het dier toch als zodanig.

Wat gebeurt er: de teef krijgt grotere melkklieren waar inderdaad ook vaak melk uit gemasseerd kan worden of een vloeistof met een andere kleur, van bruin tot bloedrood toe. Dat is de lichamelijke kant ervan die overigens niet altijd aanwezig is.
Veel belangrijker zijn de psychische verschijnselen:

Het dier wordt onrustig, ze denkt dat ze pups heeft, maar die zijn er niet.

Nestdrang: De teef heeft graafneigingen, trekt zich veilig terug onder een stoel of onder de tafel, in een hoekje van de kamer of ook wel op het bed in de slaapkamer. Ze gaat dus duidelijk op andere plaatsen liggen dan normaal.

Slepen met speelgoed, pantoffels, sokken, de gekste dingen. Al die zaken ziet de hond als haar pups. Ook overdreven aandacht voor andere dieren thuis of zelfs kinderen is zo te verklaren. Vaak heeft de teef de neiging dit alles tot het uiterste te verdedigen. Oppassen dus.

Agressiever tegenover andere dieren bijvoorbeeld bij het uitlaten maar ook als er mensen op bezoek komen. Vanuit de teef bezien volkomen verklaarbaar. Als de teef wordt benaderd denkt ze dat ze haar denkbeeldige pups moet verdedigen en dat kan wel eens gevaarlijker zijn voor iemand die niet weet wat er aan de hand is. In sommige gevallen kan dit leiden tot moeilijkheden zoals het aanvallen van andere honden en af en toe van nietsvermoedende kinderen of andere bezoekers. Dus voor de zekerheid altijd oppassen met een schijnzwangere teef.

Schijnzwangere teven eten meestal minder, in een enkel geval zelfs wat meer. Het lijkt logisch dat ze meer zouden eten omdat ze denken dat ze pups hebben, maar toch is meestal het tegenovergestelde het geval. Mogelijk speelt nervositeit hierbij een rol.

Uitlaten is voor schijnzwangere honden meer een kwelling dan een plezier. Ze zijn vaak niet naar buiten te branden omdat ze maar steeds in de buurt van hun “nest” willen blijven. Even snel hun behoefte doen kan nog wel, maar dan weer zo snel mogelijk naar huis.

Sommige schijnzwangere teven worden erg aanhankelijk, vragen voortdurend aandacht, willen aangehaald worden of op schoot komen zitten, vaak tot op het irritante af.

Een schijnzwangere hond hoeft niet alle hierboven genoemde symptomen tegelijk te vertonen. De meeste hebben last van twee of drie van deze verschijnselen. De ernst van de psychische uitingen van de schijnzwangerschap kan sterk variëren. Soms is de eigen hond helemaal niet meer herkenbaar: in een korte periode is ze helemaal anders geworden. Het komt regelmatig voor dat de eigenaar, nier wetende dat de teef schijnzwangere is, zich erg ongerust maakt en met bange voorgevoelens een bezoek brengt aan de dierenarts. Het is dan een grote opluchting te horen dat de hond alleen maar schijnzwangere is en lichamelijk niets mankeert.
Schijnzwangerschap kan maanden duren maar gaat nooit samen met loopsheid. Het valt niet te voorspellen welke honden het zullen worden en het maakt ook weinig uit of ze al eens een nest gehad hebben. De aandoening komt veelvuldig voor en bij alle hondenrassen.

Wat kunnen we eraan doen: afleiding geven is zeer belangrijk bij de behandeling van schijnzwangerschap, meer nog dan de toediening van medicijnen. Laat uw hond op andere tijden en op andere plaatsen uit dan wanneer en waar ze gewend is uitgelaten te worden of ga eens lekker met haar ravotten. Wat u zeker niet moet doen is het schijnzwangere gedrag bevestigen door bijvoorbeeld speeltjes te geven, medelijden te krijgen of agressiviteit te bestraffen.
Vaak blijkt het nodig om ook nog op andere manieren in te grijpen. Reden daarvoor kunnen zijn dat de hond zelf veel problemen lijkt te hebben met de schijnzwangerschap of als gevolg ervan overlast veroorzaakt. Een andere belangrijke reden is langdurige melkgift omdat gebleken is dat de met melkvocht gevulde holten (cysten) op den lange duur kunnen ontaarden in melkkliertumoren (borstkanker). Met andere woorden: teven die telkens weer en langdurig schijnzwangere worden, hebben een grotere kans om kanker aan de melkklieren te krijgen. Medicinaal ingrijpen kan door toediening van lichte hormonen in de vorm van een tablettenkuur. Ook het gebruik van homeopathische middelen blijkt in een aantal gevallen effectief. Bij hardnekkige gevallen verdient het de aanbeveling de teef te steriliseren. Bij deze operatie worden de baarmoeder en eierstokken verwijderd omdat vooral de eierstokken de boosdoeners zijn bij schijnzwangerschap.

Nervositeit

Huisdieren moeten zich aanpassen aan de levensstijl van de mens. Als zo’n levensstijl geleidelijk en binnen bepaalde grenzen verandert, geeft dit in het algemeen geen bijzondere problemen. De laatste jaren is de doorsnee levensstijl van de mens echter snel en drastisch gewijzigd. Vooral bij de hond zien we gedragsafwijkingen door aanpassingsmoeilijkheden, zoals nervositeit, onrust, schrikachtigheid en angst voor onbekende en harde geluiden.
Om een jonge hond voldoende kans te geven zich aan te passen aan zijn nieuwe omgeving is het noodzakelijk om de pup op de leeftijd van 7 à 8 weken in zijn toekomstige omgeving te plaatsen. Deze aanpassing aan zijn omgeving tot de leeftijd van 14 weken is bepalend voor de rest van zijn of haar leven. Een rustige, consequente aanpak bij de opvoeding en vooral regelmaat zijn van belang. Wacht bij problemen niet te lang met het raadplegen van een dierenarts. Een behandeling met een diergeneesmiddel kan er toe bijdragen het gedrag van het huisdier positief te beïnvloeden.

Chronische achterhandslapte

Chronische achterhandslapte komt veelvuldig voor bij de oudere hond, dat geleidelijk verschijnselen van achterhandslapte zichtbaar worden; vertraagde stelreflexen, soms “overkoot” gaan, “wegzakken” en dergelijke. Daarbij kunnen klachten optreden zoals pijn in de rug, heupen en knieën, door de achterhand ‘zakken’ (de omvang van de achterhandspieren neemt af), soms onwillekeurig urineverlies, chronische blaasontsteking door onvoldoende blaaslediging. Oorzaken van de achterhandslapte kunnen onder andere spondylose en ruggemergdegeneratie zijn. De behandelingsresultaten zijn bij spondylose over het algemeen beter dan bij ruggemergdegeneratie.

Rug- en nekhernia

Bij een rug- en nekhernia is er sprake van een vernauwing van de tussenwervelruimte. De kern van de tussenwervelschijf stulpt daardoor uit naar boven. Bij de rughernia kan dat behalve pijn ook verlammingsverschijnselen geven door druk op het ruggenmerg. Medicijnen helpen de plaatselijke vochtophoping en druk op het ruggenmerg te verminderen en beschadigd zenuwweefsel te genezen.
Bij de rughernia is er sprake van een ongeoorloofde druk op het ruggenmerg. Als dit niet snel en doeltreffend behandeld wordt, kan een verlamming van de achterhand onherstelbaar blijken te zijn. De rughernia moet daarom uitsluitend onder begeleiding van een dierenarts worden behandeld.

spacer